Kan ik wat er geschreven staat in de evangelies wel
vertrouwen ?
Evangelie komt van het Griekse woord euangelion (εὐαγγέλιον) dat 'goede (blijde) boodschap' betekent. De term wordt vooral gebruikt in het christendom. Wat de gelovige gemeenschap eronder verstaat is dat het een verslag geeft over het leven van Jezus, over wat hij gedaan en gezegd heeft met betrekking tot de mens in zijn bestaan en zijn relatie met God. Er zijn er vier in de bijbel opgenomen. De geloofsgemeenschap erkent ook dat elke evangelieschrijver daarin eigen accenten heeft gelegd. Maar aan hun bedoeling oprecht weer te geven van wat was geschied en gezegd is nooit getwijfeld. Men zegt van hen dat ze goddelijk geïnspireerd waren, niet dat God de pen van de schrijvers in de hand zou hebben genomen of dat Hij woorden hoorbaar uit hemelse regionen zou hebben doen klinken, maar wel dat hun gedachten en harten vol waren van dit goede nieuws, door God aangeraakt. opdat elke lezer met de kern van Jezus leven en boodschap zou kunnen kennis maken.
Misschien meer dan ooit worden er vandaag veel vragen gesteld rond de echtheid
van wat we lezen in de evangeliën. Mensen vallen over het late tijdstip van schrijven of
over de
selectie die destijds door kerkleiders werd gemaakt uit de in omloop zijnde geschriften of kortweg over de inhoud
zelf die hen totaal ongeloofwaardig overkomt, goed voor vroeger maar niet voor nu!
Sommigen verdenken de toenmalige kerkleiders ervan opzettelijk informatie te
hebben achtergehouden omdat dit hun goed uitkwam in het 'wijsmaken' van de meute
en dat wat er werkelijk is gebeurd wel heel anders zal zijn geweest. De
hedendaagse kerkleiding zou alles om dezelfde redenen maar al te graag bij het
oude willen laten. We zijn er
nog maar pas getuigen van geweest hoe 'populair' werd gedebatteerd in de
media bij het verschijnen van het boek en de film ‘De Da Vinci Code’ en het oprakelen van een veel later verschenen
Judas evangelie (als we hier tenminste de naam evangelie nog kunnen gebruiken). Er lijkt alles uit de kast te
worden gehaald om gelovigen aan te tonen dat wat ze geloven op niets is
gebaseerd of op verdraaide gegevens!
Wat ik hierna laat volgen is hoe
ik er zelf in grote lijnen over denk, niet als theoloog - want dat ben ik niet -
maar als gelovige. Om te beginnen wil ik kwijt dat de blijde boodschap
voor mij véél meer
om het lijf heeft dan het kennen en weten van een levensverhaal en meer dan het lezen van een
brok geschiedenis!
Ik
moet wel toegeven dat ik me zelf ooit
afgevraagd heb waarom een zo begaafd
man als Jezus, met dergelijke diepe inzichten, hoogstaande moraal en impact op
zijn omgeving en bovenal met de vaste intentie het Rijk Gods te komen vestigen
en verspreiden in de wereld heeft nagelaten zélf zijn memoires, zijn
opvattingen, zijn leer en instructies op papier na te laten voor de komende
tijd. Het zou toch alle discussies rond de echtheid van zijn woorden en gedachten
hebben kunnen vermijden en ons (misschien) met een comfortabeler gevoel hebben
achtergelaten. Zou dit een vergissing geweest zijn van Hem? Elk belangrijk
politicus kent toch de kracht van het geschreven woord
om persoonlijke gedachten en boodschap ingang te doen vinden bij het grote
publiek. Elke onderneming kent het belang van marketing om aan perceptie te
winnen bij de verbruiker. Waarom zou Jezus dan zo’n kapitale inschattingsfout hebben
gemaakt en de discussie hebben gelaten voor het nageslacht?
In mijn zoektocht naar antwoorden op deze ogenschijnlijk onbelangrijke vraag heb ik ontdekt dat er helemaal geen nalatigheid of een vergissing in het spel was, maar dat de reden ervoor onderdeel maakt van wat Jezus precies beoogd heeft.
Ten eerste zie ik dat Hij ook zijn eigen leerlingen nooit heeft opgedragen een 'verslag te schrijven' over Hem maar wel om van Hem te ‘getuigen’. Dit is belangrijk! Deze twee zijn niet noodzakelijk aan elkaar gelijk! Het ene kan het andere wel ondersteunen maar nooit overnemen. Dé oproep die van Jezus uitging was te spreken over én te handelen naar zijn voorbeeld. Zoals Jezus getuigde van zijn Vader, zo wilde Hij ook dat zijn leerlingen getuigden van Hem. Johannes heeft het Jezus zo horen zeggen “ Ook jullie moeten mijn getuigen zijn, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest (hoofdstuk 15)”. Want, had Jezus gezegd, door zo’n getuigenis zou Hij in zekere zin opnieuw ‘aanwezig’ worden en zou zijn Vader zichtbaar blijven voor de mensen: “Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader. En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door Mij de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen.” Dit is blijde boodschap in actie!!! Hij leeft nu door al diegenen die op Hem vertrouwen en Hem dagelijks blijven betrekken in hun levensopdracht! Dat is wat Hij als eerste verslag aan het nageslacht wil doorgeven.
Ten tweede
besef ik dat ons geloof over
een persoonlijke relatie gaat en dus véél meer is dan kennen en weten alleen van
historische feiten en uitspraken. De
blijde boodschap belooft juist een directe persoonlijke ervaring en omgang met
Hem. Lees maar eens mee
wat er ons in dat opzicht is toegezegd. “Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom
bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar
jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. Dan zul je
begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie
ben. Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief.
Wie mij
liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem
bekendmaken.” Wow! En zo zegt Jezus
verder: “Dan zal ik de Vader vragen
jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest
van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent
hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie
blijven.” En dat is voor élke mensenziel weggelegd die aanvaarden wil. Zo
kunnen we op een andere plaats lezen: “Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand
mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten,
ik met hem en hij met mij.” WOW!!!!
Ten derde
realiseer ik me dat deze blijde boodschap
een verlengstuk heeft in elke tijd en niet zomaar ophield 2000 jaar
geleden! De boodschap van Christus is
immers iets dynamisch. Niet dat het zich in de tijd zal tegenspreken. Nooit, maar het is
pure dynamiek. Scheppend en herscheppend in elke tijd. Met wat Hij 2000 jaar geleden heeft volbracht is
er voor elke generatie van mensen nog steeds een weg af te leggen en
een toekomst in het verschiet! Lees
maar...“De Geest van
de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid.
Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en
jullie bekendmaken wat komen gaat.”
De apostelen hebben als eerste deze opdracht ter harte genomen. Zij zijn er op uit getrokken en hebben gesproken en gehandeld zoals Jezus heeft gedaan. Elk van hen heeft, met uitzondering van Johannes, dit getuigenis ook bekocht met zijn leven.
Toen de christelijke gemeenschap zich begon te
verspreiden en ook de apostelen van het wereldtoneel verdwenen, werd door
de eerste gemeenschap de nood aangevoeld om de kern van de boodschap te
bewaren voor de komende generaties, opdat elke mens die het lezen zou tot
dezelfde persoonlijke ervaring zouden komen als zij en op hun beurt levende
getuigen zouden zijn. Het oudste fragment dat we bezitten, een
flard van het evangelie van Johannes, stamt uit ca 125 na Christus. Oudere
verwijzingen zijn er niet. De brieven die aan Petrus en Paulus worden
toegeschreven, zijn weliswaar geen evangeliën, maar werpen wel licht op de leer
binnen de oerchristelijke kerk en onderschrijven de
inhoud van de evangelies. Van in den beginnen heeft
deze christelijke gemeenschap alle moeite gedaan om de eenheid in de geloofsleer
te bewaren en afwijkende leringen te bestrijden. Dat kunnen we opmaken uit de
briefwisseling van de eerste kerkleiders vanaf het begin van de tweede eeuw. De
eerste opsomming van 27 boeken van het nieuwe testament komt echter pas voor in
een brief uit 367 van Athanasius die bisschop was van
Alexandrië. De officiële erkenning gebeurde op een bijeenkomst van alle
bisschoppen in Rome in 382 en Carthago in 397.
Maar goed... je zou hier kunnen stellen dat daarmee het probleem over de echtheid van wat geschreven staat niet is opgelost. Je kan nog altijd stellen dat het geheel een brok 'goedgelovigheid' is van de evangelieschrijvers en elke gelovige zich deze persoonlijke relatie slechts inbeeld. Hier dan nog enkele andere redenen:
Ik geef er hier een zestal.
1)
Er is een overvloed aan materiaal tevoorschijn gekomen na
recente opgravingen die bijdragen tot de geloofwaardigheid van het nieuwe
testament. Bijbelhistorici zeggen ons dat we nu meer dan 20000 handschriften
kennen. Ter vergelijking: van de
Gallische oorlogen van Caesar kennen we maar van een negental handschriften die
bovendien dateren van duizend jaar na zijn dood en toch is er niemand van de
geschiedschrijvers die aan de betrouwbaarheid zal twijfelen; van Aristoteles
dateert het vroegste handschrift van 1100 na Christus en er bestaan slechts 5
handschriften van. Toch twijfelt niemand aan de betrouwbaarheid ervan. Waarom
dan wel aan deze van het nieuwe testament waarvan handschriften zelfs de kloof
dichten met de tijd van Christus? Is het niet omdat wat beschreven staat in deze
handschriften mens overstijgend is en men het daarmee moeilijk
heeft?
2) De berichtgeving is opgesteld door mensen die met ooggetuigen
in contact zijn geweest of zelf ooggetuigen waren. Zo schrijft
Lucas bij de aanvang van zijn evangelie ondermeer: “Nadat reeds
velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de
gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken,
en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het
begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn
geworden, leek het ook
mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen
in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus (hij die God
liefheeft), op
schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken
waarin u onderricht bent.” En Petrus schrijft in zijn tweede brief:
“Toen wij u de glorierijke komst van onze
Heer Jezus Christus verkondigden, baseerden wij ons niet op vernuftige
verzinsels – integendeel, wij hebben met eigen ogen zijn grootheid
gezien.” Ook Johannes
schreef in zijn eerste brief: ”Wat wij
gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons
verbonden bent. Tenzij zij allemaal zouden liegen?
3) Omdat de verhalen die de schrijver neerschreef al de ronde
deden tijdens het leven van Jezus tijdgenoten, kon men deze
gemakkelijk aanvechten zo zij niet juist waren geweest. Men kan immers
toch moeilijk aanhouden dat na 25 jaar, bij het verschijnen van de brieven van de
apostelen, de hele generatie van tijdgenoten al overleden was! Petrus maakt
daar zelfs gebruik van in zijn eerste prediking toen hij zei: “Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus
uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen
gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend
is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.” De eerste predikers moesten
dus rekening houden met zowel goedgezinde als vijandige luisteraars. En we zien
dat ze juist beroep deden op de kennis van deze vijandige toehoorders om hun
verhaal kracht bij te zetten! Ze zouden makkelijk op leugens betrapt zijn
geworden.
4) De eerlijkheid
waarmee het evangelieverslag én ook de brieven werden opgetekend zijn
treffend. Hun eigen falen wordt niet
verdoezeld. De wedijver van de apostelen
om de eerste plaats in Gods Rijk; het vertrek van veel van zijn leerlingen nadat
Jezus over zichzelf 'goddelijke uitspraken' had gedaan; de vlucht van de leerlingen bij Jezus
gevangenneming; de verloochening door Petrus; het gestuntel en voortdurend fout reageren op
Jezus boodschap en de terechtwijzing die de leerlingen daarop kregen; Jezus die
geen wonderen kon doen in Galilea; het aanzien worden
van Jezus voor een gek door sommige omstanders; zijn wanhoopskreet aan het
kruis; de angst van de leerlingen na Jezus dood; de twijfelende Thomas die eerst
moest zien vooraleer te geloven. Dit en nog meer staaft alleen maar de
onderliggende oprechtheid waarmee geschreven werd en niet andersom!
5) Twee vrienden
van Johannes hebben geschriften nagelaten die de betrouwbaarheid van de
evangeliën ondersteunen. De eerste is de
geschiedschrijver Eusebius die bisschop was van Hiërapolis en geschriften had bewaard van een zekere Papias, een leerling van Johannes. Deze schreef: “De oudste (Johannes) placht dit meestal ook
te zeggen: Marcus, die de tolk van Petrus was, schreef nauwgezet alles op waar
Petrus over sprak, zowel wat Christus had gezegd als wat Hij had gedaan, echter
niet in volgorde. Want Marcus was zelf noch toehoorder, noch metgezel van de
Heer geweest. Maar naderhand, zoals ik al zei, ging hij met Petrus mee, die de
uitspraken van de Heer toepaste eerder dan dat hij er een verzameling van
aanlegde…..voor hem was dit het belangrijkste: niets weg te laten van wat hij
gehoord had en er geen enkele onjuiste verklaring in op te nemen.” De tweede was Irenaeus die bisschop was van Lyon rond 180 na Christus en
een leerling was van Polycarpus, die al 86 jaar
christen was, en op zijn beurt een leerling was van de apostel Johannes. Hij
schreef: “Matteüs gaf zijn evangelie uit
onder de Hebreeën in hun eigen taal, toen Petrus en
Paulus het evangelie in Rome predikten en de kerk daar stichten. Na hun heengaan
gaf Marcus, de discipel en tolk van Petrus, ons zelf de hoofdzaak van Petrus’
prediking op schrift. Lucas, de volgeling van Paulus, tekende in een boek het
evangelie op dat door zijn leermeester was gepredikt. Toen vervaardigde
Johannes, de discipel van de Heer, die zich ook aan zijn borst geworpen had,
zelf zijn evangelie, toen hij in Efeze, in Azië
woonde.”
6) Het
getuigenis van het leven van de eerste christenen. Velen, ook niet christenen, waren onder de indruk van het
christelijke gemeenschapsleven, met een sterke nadruk op gezin en naastenliefde.
Tertullianus schreef verheugd dat vele heidenen
zeiden: “Kijk toch hoeveel die christenen
van elkaar houden!” De eenheid onder de christenen viel op. De
heidense criticus Celsus schreef in 170 over hen het
volgende: “Hun eensgezindheid is
werkelijk verbazend, vooral omdat die wellicht geen betrouwbare bestaansgrond
heeft!” Celsus had in zekere zin gelijk verbaasd
te zijn! Indien er bij een
snel uitdijende gemeenschap geen diepe eendrachtige overtuiging aan de basis
zou liggen, dan zou het onmogelijk zijn zulke opvallende band van liefde en
eenheid uit te stralen!” Men kan moeilijk stellen dat in zo'n omgeving de ene
dit en de andere dat geloofde maar dat er een brede
aanvaarding was van de bijbelse geschriften die toen al in omloop waren.
Tot besluit de woorden van Dr. Clark Pinnock: “Er bestaat geen geschrift uit de oudheid dat, wat tekst en echtheid betreft, gestaafd wordt door zo’n voortreffelijk aantal getuigenissen en dat zo’n schat aan historische gegevens biedt, aan de hand waarvan een weloverwogen beslissing genomen kan worden. Niemand die er eerlijk mee wil omgaan, kan dit gegeven ter zijde schuiven. Twijfel hieraan is gebaseerd op een onredelijk vooroordeel!”
Marc
Den Haerynck