Kan ik wat er geschreven staat in de evangelies wel vertrouwen ?

Evangelie komt van het Griekse woord euangelion (εὐαγγέλιον) dat 'goede (blijde) boodschap' betekent. De term wordt vooral gebruikt in het christendom. Wat de gelovige gemeenschap eronder verstaat is dat het een verslag geeft over het leven van Jezus, over wat hij gedaan en gezegd heeft met betrekking tot de mens in zijn bestaan en zijn relatie met God. Er zijn er vier in de bijbel opgenomen. De geloofsgemeenschap erkent ook dat elke evangelieschrijver daarin eigen accenten heeft gelegd. Maar aan hun bedoeling oprecht weer te geven van wat was geschied en gezegd is nooit getwijfeld. Men zegt van hen dat ze goddelijk geïnspireerd waren, niet dat God de pen van de schrijvers in de hand zou hebben genomen of dat Hij woorden hoorbaar uit hemelse regionen zou hebben doen klinken, maar wel dat hun gedachten en harten vol waren van dit goede nieuws, door God aangeraakt. opdat elke lezer met de kern van Jezus leven en boodschap zou kunnen kennis maken.

Misschien meer dan ooit worden er vandaag veel vragen gesteld rond de echtheid van wat we lezen in de evangeliën. Mensen vallen over het late tijdstip van schrijven of over de selectie die destijds door kerkleiders werd gemaakt uit de in omloop zijnde geschriften of kortweg over de inhoud zelf die hen totaal ongeloofwaardig overkomt, goed voor vroeger maar niet voor nu! Sommigen verdenken de toenmalige kerkleiders ervan opzettelijk informatie te hebben achtergehouden omdat dit hun goed uitkwam in het 'wijsmaken' van de meute en dat wat er werkelijk is gebeurd wel heel anders zal zijn geweest. De hedendaagse kerkleiding zou alles om dezelfde redenen maar al te graag bij het oude willen laten. We zijn er nog maar pas getuigen van geweest hoe 'populair' werd gedebatteerd in de media bij het verschijnen van het boek en de film ‘De Da Vinci Code’ en het oprakelen van een veel later verschenen Judas evangelie (als we hier tenminste de naam evangelie nog kunnen gebruiken). Er lijkt alles uit de kast te worden gehaald om gelovigen aan te tonen dat wat ze geloven op niets is gebaseerd of op verdraaide gegevens! En als dan ook hedendaagse binnenkerkelijke bijbelgeleerden beweren dat er maar een 13 % van de uitspraken direct aan Jezus kunnen toegeschreven worden, ja, dan kan het ook voor sommige gelovigen teveel worden .

Wat ik hierna laat volgen is hoe ik er zelf in grote lijnen over denk, niet als theoloog - want dat ben ik niet - maar als gelovige. Om te beginnen wil ik kwijt dat de blijde boodschap voor mij véél meer om het lijf heeft dan het kennen en weten van een levensverhaal en meer dan het lezen van een brok geschiedenis! De indruk laat mij trouwens niet los dat de schrijvers van de evangelies in de eerste plaats zelf diep aangegrepen waren.

Ik moet wel toegeven dat ik me zelf ooit afgevraagd heb waarom een zo begaafd man als Jezus, met dergelijke diepe inzichten, hoogstaande moraal en impact op zijn omgeving en bovenal met de vaste intentie het Rijk Gods te komen vestigen en verspreiden in de wereld heeft nagelaten zélf zijn memoires, zijn opvattingen, zijn leer en instructies op papier na te laten voor de komende tijd. Het zou toch alle discussies rond de echtheid van zijn woorden en gedachten hebben kunnen vermijden en ons (misschien) met een comfortabeler gevoel hebben achtergelaten. Zou dit een vergissing geweest zijn van Hem? Elk belangrijk politicus kent toch de kracht van het geschreven woord om persoonlijke gedachten en boodschap ingang te doen vinden bij het grote publiek. Elke onderneming kent het belang van marketing om aan perceptie te winnen bij de verbruiker. Waarom zou Jezus dan zo’n kapitale inschattingsfout hebben gemaakt en de discussie hebben gelaten voor het nageslacht?

In mijn zoektocht naar antwoorden op deze ogenschijnlijk onbelangrijke vraag heb ik ontdekt dat er helemaal geen nalatigheid of een vergissing in het spel was, maar dat de reden ervoor onderdeel maakt van wat Jezus precies beoogd heeft.

Ten eerste zie ik dat Hij ook zijn eigen leerlingen nooit heeft opgedragen een 'verslag te schrijven' over Hem maar wel om van Hem te ‘getuigen’. Dit is belangrijk! Deze twee zijn niet noodzakelijk aan elkaar gelijk! Het ene kan het andere wel ondersteunen maar nooit overnemen. Dé oproep die van Jezus uitging was te spreken over én te handelen naar zijn voorbeeld. Zoals Jezus getuigde van zijn Vader, zo wilde Hij ook dat zijn leerlingen getuigden van Hem. Johannes heeft het Jezus zo horen zeggen Ook jullie moeten mijn getuigen zijn, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest  (hoofdstuk 15)”. Want, had Jezus gezegd, door zo’n getuigenis zou Hij in zekere zin opnieuw ‘aanwezig’ worden en zou zijn Vader zichtbaar blijven voor de mensen: Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader. En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door Mij de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen.” Dit is blijde boodschap in actie!!! Hij leeft nu door al diegenen die op Hem vertrouwen en Hem dagelijks blijven betrekken in hun levensopdracht! Dat is wat Hij als eerste verslag aan het nageslacht wil doorgeven.

Ten tweede besef ik dat ons geloof over een persoonlijke relatie gaat en dus véél meer is dan kennen en weten alleen van historische feiten en uitspraken. De blijde boodschap belooft juist een directe persoonlijke ervaring en omgang met Hem. Lees maar eens mee wat er ons in dat opzicht is toegezegd. “Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.”  Wow! En zo zegt Jezus verder: “Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven.” En dat is voor élke mensenziel weggelegd die aanvaarden wil. Zo kunnen we op een andere plaats lezen: “Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.” WOW!!!!

Ten derde realiseer ik me dat deze blijde boodschap een verlengstuk heeft in elke tijd en niet zomaar ophield 2000 jaar geleden! De boodschap van Christus is immers iets dynamisch. Niet dat het zich in de tijd zal tegenspreken. Nooit, maar het is pure dynamiek. Scheppend en herscheppend in elke tijd.  Met wat Hij 2000 jaar geleden heeft volbracht is er voor elke generatie van mensen nog steeds een weg af te leggen en een toekomst in het verschiet!  Lees maar...“De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat.

De apostelen hebben als eerste deze opdracht ter harte genomen. Zij zijn er op uit getrokken en hebben gesproken en gehandeld zoals Jezus heeft gedaan. Elk van hen heeft, met uitzondering van Johannes, dit getuigenis ook bekocht met zijn leven.

Toen de christelijke gemeenschap zich begon te verspreiden en ook de apostelen van het wereldtoneel verdwenen, werd door de  eerste gemeenschap de nood aangevoeld om de kern van de boodschap te bewaren voor de komende generaties, opdat elke mens die het lezen zou tot dezelfde persoonlijke ervaring zouden komen als zij en op hun beurt levende getuigen zouden zijn. Het oudste fragment dat we bezitten, een flard van het evangelie van Johannes, stamt uit ca 125 na Christus. Oudere verwijzingen zijn er niet. De brieven die aan Petrus en Paulus worden toegeschreven, zijn weliswaar geen evangeliën, maar werpen wel licht op de leer binnen de oerchristelijke kerk en onderschrijven de inhoud van de evangelies. Van in den beginnen heeft deze christelijke gemeenschap alle moeite gedaan om de eenheid in de geloofsleer te bewaren en afwijkende leringen te bestrijden. Dat kunnen we opmaken uit de briefwisseling van de eerste kerkleiders vanaf het begin van de tweede eeuw. De eerste opsomming van 27 boeken van het nieuwe testament komt echter pas voor in een brief uit 367 van Athanasius die bisschop was van Alexandrië. De officiële erkenning gebeurde op een bijeenkomst van alle bisschoppen in Rome in 382 en Carthago in 397.

Maar goed... je zou hier kunnen stellen dat daarmee het probleem over de echtheid van wat geschreven staat niet is opgelost. Je kan nog altijd stellen dat het geheel een brok 'goedgelovigheid' is van de evangelieschrijvers en elke gelovige zich deze persoonlijke relatie slechts inbeeld. Hier dan nog enkele andere redenen:

Ik geef er hier een zestal.

1)       Er is een overvloed aan materiaal tevoorschijn gekomen na recente opgravingen die bijdragen tot de geloofwaardigheid van het nieuwe testament. Bijbelhistorici zeggen ons dat we nu meer dan 20000 handschriften kennen. Ter vergelijking: van de Gallische oorlogen van Caesar kennen we maar van een negental handschriften die bovendien dateren van duizend jaar na zijn dood en toch is er niemand van de geschiedschrijvers die aan de betrouwbaarheid zal twijfelen; van Aristoteles dateert het vroegste handschrift van 1100 na Christus en er bestaan slechts 5 handschriften van. Toch twijfelt niemand aan de betrouwbaarheid ervan. Waarom dan wel aan deze van het nieuwe testament waarvan handschriften zelfs de kloof dichten met de tijd van Christus? Is het niet omdat wat beschreven staat in deze handschriften mens overstijgend is en men het daarmee moeilijk heeft?

2)      De berichtgeving is opgesteld door mensen die met ooggetuigen in contact zijn geweest of zelf ooggetuigen waren. Zo schrijft Lucas bij de aanvang van zijn evangelie ondermeer: Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus (hij die God liefheeft), op schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.”  En Petrus schrijft in zijn tweede brief: “Toen wij u de glorierijke komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, baseerden wij ons niet op vernuftige verzinsels – integendeel, wij hebben met eigen ogen zijn grootheid gezien.”  Ook Johannes schreef in zijn eerste brief: ”Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. Tenzij zij allemaal zouden liegen?

3)      Omdat de verhalen die de schrijver neerschreef al de ronde deden tijdens het leven van Jezus tijdgenoten, kon men deze gemakkelijk aanvechten zo zij niet juist waren geweest. Men kan immers toch moeilijk aanhouden dat na 25 jaar, bij het verschijnen van de brieven van de apostelen, de hele generatie van tijdgenoten al overleden was! Petrus maakt daar zelfs gebruik van in zijn eerste prediking toen hij zei: “Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.” De eerste predikers moesten dus rekening houden met zowel goedgezinde als vijandige luisteraars. En we zien dat ze juist beroep deden op de kennis van deze vijandige toehoorders om hun verhaal kracht bij te zetten! Ze zouden makkelijk op leugens betrapt zijn geworden.

4)      De eerlijkheid waarmee het evangelieverslag én ook de brieven werden opgetekend zijn treffend. Hun eigen falen wordt niet verdoezeld. De wedijver van de apostelen om de eerste plaats in Gods Rijk; het vertrek van veel van zijn leerlingen nadat Jezus over zichzelf 'goddelijke uitspraken' had gedaan; de vlucht van de leerlingen bij Jezus gevangenneming; de verloochening door Petrus; het gestuntel en voortdurend fout reageren op Jezus boodschap en de terechtwijzing die de leerlingen daarop kregen; Jezus die geen wonderen kon doen in Galilea; het aanzien worden van Jezus voor een gek door sommige omstanders; zijn wanhoopskreet aan het kruis; de angst van de leerlingen na Jezus dood; de twijfelende Thomas die eerst moest zien vooraleer te geloven. Dit en nog meer staaft alleen maar de onderliggende oprechtheid waarmee geschreven werd en niet andersom!

5)      Twee vrienden van Johannes hebben geschriften nagelaten die de betrouwbaarheid van de evangeliën ondersteunen. De eerste is de geschiedschrijver Eusebius die bisschop was van Hiërapolis en geschriften had bewaard van een zekere Papias, een leerling van Johannes. Deze schreef: “De oudste (Johannes) placht dit meestal ook te zeggen: Marcus, die de tolk van Petrus was, schreef nauwgezet alles op waar Petrus over sprak, zowel wat Christus had gezegd als wat Hij had gedaan, echter niet in volgorde. Want Marcus was zelf noch toehoorder, noch metgezel van de Heer geweest. Maar naderhand, zoals ik al zei, ging hij met Petrus mee, die de uitspraken van de Heer toepaste eerder dan dat hij er een verzameling van aanlegde…..voor hem was dit het belangrijkste: niets weg te laten van wat hij gehoord had en er geen enkele onjuiste verklaring in op te nemen.”  De tweede was Irenaeus die bisschop was van Lyon rond 180 na Christus en een leerling was van Polycarpus, die al 86 jaar christen was, en op zijn beurt een leerling was van de apostel Johannes. Hij schreef: Matteüs gaf zijn evangelie uit onder de Hebreeën in hun eigen taal, toen Petrus en Paulus het evangelie in Rome predikten en de kerk daar stichten. Na hun heengaan gaf Marcus, de discipel en tolk van Petrus, ons zelf de hoofdzaak van Petrus’ prediking op schrift. Lucas, de volgeling van Paulus, tekende in een boek het evangelie op dat door zijn leermeester was gepredikt. Toen vervaardigde Johannes, de discipel van de Heer, die zich ook aan zijn borst geworpen had, zelf zijn evangelie, toen hij in Efeze, in Azië woonde.”

6)      Het getuigenis van het leven van de eerste christenen. Velen, ook niet christenen, waren onder de indruk van het christelijke gemeenschapsleven, met een sterke nadruk op gezin en naastenliefde. Tertullianus schreef verheugd dat vele heidenen zeiden: “Kijk toch hoeveel die christenen van elkaar houden!”  De eenheid onder de christenen viel op. De heidense criticus Celsus schreef in 170 over hen het volgende: “Hun eensgezindheid is werkelijk verbazend, vooral omdat die wellicht geen betrouwbare bestaansgrond heeft!” Celsus had in zekere zin gelijk verbaasd te zijn! Indien er bij een snel uitdijende gemeenschap geen diepe eendrachtige overtuiging aan de basis zou liggen, dan zou het onmogelijk zijn zulke opvallende band van liefde en eenheid uit te stralen!” Men kan moeilijk stellen dat in zo'n omgeving de ene dit en de andere dat geloofde maar dat er een brede aanvaarding was van de bijbelse geschriften die toen al in omloop waren.

Tot besluit de woorden van Dr. Clark Pinnock: “Er bestaat geen geschrift uit de oudheid dat, wat tekst en echtheid betreft, gestaafd wordt door zo’n voortreffelijk aantal getuigenissen en dat zo’n schat aan historische gegevens biedt, aan de hand waarvan een weloverwogen beslissing genomen kan worden. Niemand die er eerlijk mee wil omgaan, kan dit gegeven ter zijde schuiven. Twijfel hieraan is gebaseerd op een onredelijk vooroordeel!”

Marc Den Haerynck